In Memoriam Tristan Haan

26 January 2026 - 11:48

Ons bereikte het bericht van het overlijden van ons voormalige staflid Tristan Haan. Zoals wel vaker het geval is bij een medewerker van het IISG viel ook bij Tristan Haan (4 oktober 1934 – 10 januari 2026) de appel niet ver van de boom: zijn vader, Bart Haan, was eind jaren-twintig actief bij de Alarmisten, zo genoemd naar de Nabat(=alarm)-groep van Oekraïense anarchisten. In Nederland behoorden zij tot de uiterste linkerzijde van het anarchisme. 

Tristan studeerde Romanistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1960 zat hij in de redactie van De Nieuwe Stem. Maandblad voor cultuur en politiek. Dit was een linksgericht tijdschrift, waartoe al tijdens de bezetting het initiatief was genomen door Oene Noordenbos, Jan Romein en Nico Donkersloot. Tristan publiceerde regelmatig - soms met een nogal polemische inslag - in de rubriek “Kort Bestek”, vooral over literaire en historische onderwerpen. Als redactiesecretaris voerde hij een uitgebreide correspondentie die wordt bewaard in het archief van dit tijdschrift. Toen De Nieuwe Stem eind 1967 ter ziele ging, was Tristan inmiddels (sinds 1966) hoofd van het Franse kabinet van het IISG. Hij was de opvolger van mr. Bernard van Tijn, wiens zogenoemde Latijnse kabinet in 1965 in tweeën was gesplitst. Rudolf de Jong bemande sinds dat jaar het Ibero-Amerikaanse en anarchistische kabinet.

Ter gelegenheid van een tentoonstelling in 1969 in Museum Fodor over de studentenopstand in Parijs en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke onrust in Frankrijk – de zogenaamde ‘Meibeweging van 1968’ –verzorgde Tristan met de van hem bekende acribie het grootste gedeelte van de tekst van de tentoonstellingscatalogus, waaronder een bibliografisch overzicht van de Meibeweging.

Als wetenschappelijk medewerker van het Instituut zat hij in de Editorial Committee van de International Review of Social History. In die hoedanigheid nam hij deel aan de voorbereiding van de uitgave van het speciale nummer van de Review gewijd aan de Commune van Parijs: “1871. Jalons pour une histoire de la Commune de Paris”, naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de Commune. Tristan had tot taak om namens het Instituut de voorbereiding ervan in goede banen te leiden, daarin bijgestaan door Netty Mulder, medewerkster van de Review, die hem hielp bij het ontcijferen van handschriften. Het organiseren van redactievergaderingen met alle medewerkers en de controle van hun bijdragen had zoveel voeten in de aarde dat dit jubileumnummer een jaar te laat verscheen.

Tristan was een groot kenner van de Nederlandse Vrijdenkersbeweging. Hij maakte deel uit van de redactie van het Woordenboek van Belgische en Nederlandse Vrijdenkers, waarin hij een lemma over de uitgever/boekhandelaar en vrijdenker Rudolf Carel d’Ablaing van Giessenburg publiceerde. Deze laatste gaf onder zijn uitgeversnaam R.C. Meijer het Testament van Meslier uit. Meslier (1668/1674 – 1729/1733) was atheïst en communist, een scherp criticus van religie als steunpilaar van een onrechtvaardige maatschappij. Mesliers radicaliteit wordt treffend geïllustreerd door de sympathie waarmee hij de wens bezag “que les grands de la terre et que tous les nobles fussent pendus et étranglés avec les boyaux (darmen) des prêtres”. Als groot kenner van het werk van D’Ablaing nam hij deel aan een colloquium over Meslier dat in 1974 aan de Universiteit van Reims werd gehouden, met het artikel “Rudolf Charles et la diffusion de son édition du ‘Testament’ de Meslier, 1860-1888”. (in: Le curé Meslier et la vie intellectuelle, religieuse et sociale et au début du 18e siècle : actes du colloque international de Reims, 17-19 octobre 1974, pp. 539-573). De bijdrage valt als “très savant” te kwalificeren, zonder dat we evenwel gewaar worden hoe D’Ablaing aan het manuscript was gekomen, hoewel deze dat in zijn voorwoord bij de uitgave had vermeld: hij had het in oktober 1859 op de kop getikt bij een Nederlands antiquariaat. Dit handschrift werd in 1937 door bemiddeling van Arthur Lehning en met financiële ondersteuning van De Centrale Arbeiders-Verzekerings en Deposito-Bank door het Instituut verworven. 

Daarnaast had Tristan een grote affiniteit met Multatuli, over wie hij in het tijdschrift van het Multatuli-Genootschap, Over Multatuli diverse artikelen publiceerde. In 1995 schreef hij op basis van schaarse documentatie een studie over de vrouwen rond Multatuli: Multatuli’s legioen van Insulinde. Marie Anderson, Dek en de anderen. De term legioen van Insulinde was van Multatuli zelf. Het was een soort geheim genootschap met voornamelijk jonge vrouwen die hem moesten steunen in zijn strijd voor “regt” zoals hij dat zag. Tristan omschreef hen als volgt: “Opstandigheid die kon uitlopen op opstand, dat hadden veel legionaires toch met elkaar gemeen: ze waren vatbaar, beschikbaar voor iets nieuws. Daarbij een vermogen tot dwepen…of tot vuur en vlam vatten voor een ideaal, het is maar van welke kant je het bekijkt. Geen gebrek aan kranigheid bij het breken met het milieu van herkomst.” Tristan schreef het boekje als afleiding en vorm van rouwverwerking na de tragische dood van zijn zoon Udo (1966-1989) aan wie hij het opdroeg.

Op het kruispunt van vrijdenkerij en Multatuliana bevindt zich zijn bijdrage aan het liber amicorum voor de oud-medewerkster van het Instituut, Anneke Welcker, Op een beteren weg. Schetsen uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Zijn stuk ging over een principieel debat over Multatuli in de vrijdenkersbeweging De Dageraad. Dit had plaats tijdens een vergadering in 1867 waar gediscussieerd werd over de vraag of het wel zo verstandig van Douwes Dekker was geweest om kort voor zijn pensionering als koloniaal ambtenaar ontslag te nemen. Daardoor had hij zichzelf en zijn gezin immers in de financiële ellende gestort!

Wat opvalt in zijn stukken, met name die over Multatuli, is dat Tristans betoogtrant veel aandacht van de niet-ingewijde lezer vergt. Het onderwerp van het boekje over het legioen van Insulinde leende zich gelukkig voor een lichtere toets. In dit boekje slaakt hij de verzuchting (p.95): ‘Sinds ik met archief te maken heb, is één stelregel me waardevast gebleken, omdat hij teleurstelling voorkomt. Zonder weduwe geen en met weduwe maar een half archief.’ Moest hij toen hij dit schreef aan zijn ervaringen met Dori Prudhommeaux in Versailles denken? Zij was de weduwe van de Franse libertaire publicist André Prudhommeaux (1902-1968). Door een tip van de Franse anarchist Daniel Guérin was Rudolf de Jong in 1972 met haar in contact gekomen. Dat jaar bezocht hij haar thuis en deed de ontdekking dat zich daar de rest van het archief van de Franse utopisch socialist Étienne Cabet bevond. André’s vader Jules (1869-1948), pacifist en biograaf van Cabet, had in 1938 een eerste deel van dit archief aan het Parijse filiaal van het IISG overgedragen. De oorlog had een vervolg verhinderd. In 1974 ging Rudolf met Tristan naar Dori Prudhommeaux toe om hem kennis met haar te laten maken en het archief in ogenschouw te nemen. Hoewel het Ministerie van Onderwijs 17.000 gulden aan financiële steun had toegezegd voor de verwerving van dit archief, viste het Instituut uiteindelijk achter het net. Dori had namelijk de voor een anarchiste opmerkelijke stap gezet om aan de Bibliothèque National (BN) toestemming voor de export van dit archief te vragen. En die kreeg ze natuurlijk niet, zodat de BN het zelf voor een aanmerkelijk lager bedrag verwierf. Maar wat Tristan uiteindelijk in 1976 wél verwierf was het archief van Jules. Blijkens het jaarverslag 1976 (pp. 14-15) was dat een succesvol jaar voor hem dankzij de aankoop van archief en zeldzame gedrukten bij het Parijse antiquariaat van Léon Centner.

Tristan heeft ruim twintig jaar met grote nauwgezetheid de acquisitie van boeken, brochures en periodieken voor de in alle schakeringen zo rijke collectie Frankrijk verzorgd. Op meer bescheiden schaal deed hij dat ook voor de collectie-Italië. In zijn correspondentie met contacten en archiefgevers betoonde hij zich een meester in het beheersen van de Franse taal. Hij had ook het geluk om in Parijs een correspondent te hebben in de persoon van Willem Frijhoff (1942-2024). In de jaren-zestig en zeventig toog Frijhoff met enige regelmaat naar de rue Saint-Honoré waar de Librarie Parallèles een uitgebreid assortiment aan brochures van linkse bewegingen in de verkoop had, die hij aanschafte voor het Instituut.

Sinds zijn voorganger hoorden de collecties Utopie, Judaïca en Israël ook tot het werkterrein van de afdeling Frankrijk. Ook op die terreinen was hij niet onverdienstelijk. In een discussiestuk over utopieën dat de politicologe en kenner van het utopisch socialisme Saskia Poldervaart (1945-2011) in De Volkskrant schreef (3-2-1998), stak zij de loftrompet over de Utopie-collectie van het Instituut met de woorden: “In Nederland heeft utopische studies inderdaad opvallend weinig ingang gevonden, maar alle publicaties zijn in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te vinden”. Voor wat betreft de collectie Judaïca vallen de spijtige woorden te memoreren van de bibliothecaresse van het Anne Frank Huis, nadat zij een tentoonstelling over antisemitisme had georganiseerd. Alle daar tentoongestelde werken over dit onderwerp had ze ook in het Instituut kunnen lenen, als ze dat geweten had; nu had het Anne Frank Huis ze zelf moeten aanschaffen. Ten aanzien van de collectie-Israël deed Tristan de vanuit de optiek van het Instituut voor de hand liggende keuze om naast de klassieke arbeidersbeweging de Israëlische vredesbeweging en de Palestijnse nationale aspiraties te documenteren.

Tristan was op z’n tijd een genoeglijk causeur. Schrijver dezes herinnert zich een late nazit na één van de fameuze Nieuwjaarsrecepties van het Instituut, eind jaren-zeventig, toen het nog aan de Herengracht gevestigd was. Na het einde van de receptie ging een klein gezelschap in nachtelijk Amsterdam op zoek naar een café dat nog open was. Eenmaal rond de tafel gezeten en met een pot koffie voor zich diste hij in geuren en kleuren een smakelijke anekdote op uit de sfeer van de Franse Verlichting.

Maar ondanks zijn grote eruditie kwam Tristan op het Instituut in latere jaren niet goed meer uit de verf. Naar verluidt was hij gekwetst door het zijns inziens gebrek aan erkenning dat hij in het Instituut had gekregen voor zijn werk aan de uitgave van het Commune-nummer van de Review. Hij had ook geen gelukkige hand in de omgang met bezoekers, dit tot grote ergernis van de collega’s van de Studiezaal. Tot de reorganisatie van 1985-7 dienden bezoekers die een archief wilden inzien namelijk toestemming te krijgen van het desbetreffende kabinetslid. Tristan betoonde zich daarin niet altijd erg toeschietelijk. Door die reorganisatie werd zijn dienstverband met het Instituut beëindigd en kreeg hij een functie bij het Instituut voor Tekstedities.

In de jaren-negentig verleende Tristan zijn medewerking aan de twee laatste delen van de Volledige Werken van Multatuli.
 

Geschreven door Kees Rodenburg

Tristan Haan
Tristan Haan at the IISH in 1969. Photo private collection