30 Mei ’69: Revolte op Curaçao

20 May 2019 - 10:48

Het verhaal van Mei ’68 is bekend en uitgebreid herdacht. Maar wie kent het verhaal van Mei ’69, en wel in het bijzonder van 30 mei ’69, op Curaçao? Op Trinta di Mei trekken stakende arbeiders van Shell door Willemstad. Er zijn relletjes en vernielingen, er wordt geplunderd, de politie grijpt steeds gewelddadiger in, het verzet wordt alleen maar groter. Aan het eind van de dag zijn twee stakers doodgeschoten, tientallen gewond, en delen van de binnenstad door brand verwoest. De avondklok is ingesteld en wordt door Nederlandse Mariniers gehandhaafd, 322 demonstranten zijn gearresteerd. Maar de jarenlange onvrede over de koloniale overheersing, economische uitbuiting en racistische onderdrukking van vooral de zwarte Curaçaoënaars is aan de oppervlakte gekomen, en de machtsverhoudingen op het eiland zijn voorgoed veranderd.

De directe aanleiding voor de staking: Antilliaanse arbeiders verdienden bij de raffinaderij van Shell, de grootste werkgever op het eiland, minder dan Nederlandse voor hetzelfde werk. En arbeiders die via een onderaannemer bij Shell werkten verdienden voor hetzelfde werk ongeveer de helft van wie direct bij Shell in dienst was – wat voor Shell reden was steeds meer via onderaannemers te doen. Goed voor Shell en de onderaannemers, maar niet voor de Antilliaanse zwarte arbeiders, die toch al het meeste te lijden hadden van de verslechterende economie. Dat het nu tot zo’n uitbarsting kwam, had een voorgeschiedenis. De sociale, politieke en raciale spanningen stegen al jarenlang, en onder zwarte Curaçaoënaars was het zelfbewustzijn gegroeid. Ook zij keken over de grenzen, en lieten zich inspireren door antikoloniale en revolutionaire bevrijdingsbewegingen, Black Power en de Black Panthers. Bij die bewustwording speelde het weekblad Vitó een grote rol.

Vitó begint te verschijnen in 1965. Hoofdredacteur en schrijver van vele artikelen Stanley Brown laat zich in de begintijd door het Nederlandse Provo inspireren. Het blad ziet er speels en creatief uit, met veel illustraties. Vitó klaagt op een rebelse manier de Nederlandse overheersing aan, de sociale ongelijkheid en de discriminatie. De artikelen zijn vooral Nederlandstalig. Vanaf 1967 verschijnt het vooral in het Papiamentu, de taal van de zwarte meerderheid – die op school niet wordt gebruikt in het Antilliaanse parlement zelfs niet gesproken mag worden. Daarmee krijgt Vitó een veel groter bereik. Geleidelijk aan wordt het weekblad ook politieker, harder. De groep rond Vitó organiseert vele acties. Brown en het blad staan in contact met andere zwarte groepen en activisten, zoals de invloedrijke radicale vakbondsleiders Wilson ‘Papa’ Godett en Amador Nita. Als de vakbonden in mei gaan actievoeren en staken, is Vitó hun spreekbuis. 

Na Trinta di Mei gaan de ontwikkelingen snel. De vakbonden eisen het aftreden van de (volledig witte) regering, en dat gebeurt binnen een paar dagen. Godett, die in het ziekenhuis ligt omdat hij op 30 mei door de politie in de rug was geschoten, Brown, die in de gevangenis zit omdat hij wegens opruiing tot vier maanden is veroordeeld, en Nita richten een politieke partij op, de Frente Obrero i Liberashon 30 di Mei (FOL). Bij verkiezingen in september halen ze drie van de 21 zetels in het Curaçaose parlement. Vakbonden krijgen meer leden en meer invloed. Het Papiamentu wordt meer en meer erkend als de echte taal van het eiland. De Nederlandse politiek begint in te zien dat de ‘overzeese gebiedsdelen’ meer zelfbestuur moeten krijgen, of volledige zelfstandigheid. En in 1970 krijgt Curaçao voor het eerst een zwarte op Curaçao geboren Gouverneur.

Vitó blijft intussen wekelijks verschijnen. Het is nu geen underground-blad meer, dat vanuit een vrije positie tegen allerlei misstanden kan protesteren. De samenwerking tussen Brown en Godett wordt moeizaam, vanwege persoonlijke en politieke verschillen. In juni 1971 komt het laatste nummer uit.

In de zes jaargangen Vitó is als het ware onder een vergrootglas te zien hoe het emancipatieproces zich op Curaçao razendsnel ontwikkelde. Politieke, economische, culturele en raciale aspecten waren onderling verweven. Er waren internationale inspiratiebronnen, maar de beweging richtte zich op de eigen situatie, op de eigen bevolking. Dat leidde via 30 mei tot een ingrijpende machtsverschuiving op Curaçao met langdurige gevolgen – ook voor Nederland, de koloniale overheerser.

In samenwerking met Stanley Brown en met Stephanie Archangel en Harm Stevens (Rijksmuseum Amsterdam) gaat het IISG in de loop van dit jaar een volledige serie Vitó digitaliseren en online aanbieden. We zijn ervan overtuigd dat het een belangrijke bron is voor de geschiedenis van Curaçao, en verrassend relevant voor de huidige tijd. Ter gelegenheid van de herdenking van Trinta di Mei hierbij alvast een kleine voorproef.
 

Vitó 10 mei 1969